Aarschotse krielen
Aarschotse Kriel
De Aarschotse kriel komt uit de streek rond Aarschot in België. Het is een hercreatie van een oud boerderijras, stevig en actief, en bekend om mooie donkerbruine eieren. Die eikleur dankt ze vooral aan de Marans-voorouders die bij de wederopbouw zijn ingekruist.
Kenmerken
Dit is een middelzware, forse kriel met een bijna horizontale rug en een diepe, volle borst. Ze staan middelhoog en dragen de staart vrij hoog. Geen typische knuffelkippen, wel stevige landhoenders die graag in beweging zijn.
- Gewicht: Haan ongeveer 1300–1400 g, hen 1100–1200 g.
- Ringenmaat: Haan 16 mm, hen 14 mm.
- Kam: Helderrode enkelvoudige kam met 5 tot 6 goed gevormde tanden. Het kamblad volgt de hals zonder die te raken.
- Kop: Rode oorlellen, grote oranjerode ogen.
- Benen: Onbevederd, vleeskleurig wit tot lichtgrijs. Bij hennen mag er wat donkere schub zijn.
Ze scharrelen graag en houden van ruimte. Robuust en waakzaam, maar meestal niet heel handtam.
Eileg
Bij de hercreatie wilden de fokkers bewust een donkerbruin ei. Het oude Aarschots hoen legde waarschijnlijk geel- tot lichtbruine eieren. Door Marans in te kruisen kregen ze die roest- tot donkerbruine kleur die het ras vandaag kenmerkt.
- Productie: Een gezonde hen legt rond de 160 eieren per jaar.
- Kleur: Roest- tot donkerbruin.
- Gewicht: Middelgroot, ongeveer 45 g.
- Broedsheid: Hennen kunnen broeds worden en zijn dan vaak zorgzame moeders.
Hen vs haan
Bij volwassen dieren zie je het verschil goed. De haan is groter en wat rechterop. Hij heeft een forsere, feller rode kam. Bij goud- en zilverhalzig steken de egale hals- en zadelveren mooi af tegen het koekoekpatroon op de rest van het lichaam. De staart staat rond de 60 graden, met gebogen sikkels die niet voorbij de stuurveren reiken.
De hen is kleiner, met een diepere romp en meer dons. Ze oogt ronder en voller, vooral in de buik. Haar staart staat wat lager, rond de 50 graden.
Klimaat en huisvesting
Dit is een winterhard ras, gemaakt voor het gematigde Belgische klimaat. Kou en gewone zomerwarmte zijn geen probleem. Ze doen het best met ruimte om rond te scharrelen. Een droge, tochtvrije stal is genoeg. Door hun waakzaamheid passen ze goed bij uitloop in de tuin of op het erf.
Kleurslagen
De bekendste slag is koekoek goudhalzig. Bij de haan hebben hals- en zadelbehang een warme goudbruine omzoming, met egaal goudbruine rug- en schouderveren. De rest van het lichaam is koekoek. De hen is overal koekoek, met een goudachtig bruine halskraag.
Daarnaast bestaat koekoek zilverhalzig, hetzelfde type maar met zilverwit in plaats van goud. Bij de hen is de halskraag zilverachtig wit, met onderaan wat koekoektekening.
Geschiedenis
Het oude Aarschots hoen ontstond rond 1850 in de streek rond Aarschot en West-Hageland. Lokale boerderijkippen werden gekruist met Aziatische reuzenhoenders die via Antwerpen het inlandse bereikten. Zo kwam er een middelgroot dubbeldoelras: vooral het vlees viel in de smaak. Rond 1900 zat het op veel boerderijen in de wijde omgeving. Poeleniers kochten de dieren op de wekelijkse markt en brachten ze naar Brussel, net zoals met het Mechels hoen gebeurde.
In Hoenderrassen van R. Houwink (1909) staat de Aarschotse koekoek vermeld als verwant aan de Mechelse, maar lichter en slanker. In de 20e eeuw verdween het ras. In 1983 besloot een kleine groep Belgische kwekers het terug tot leven te brengen, met hulp van getuigenissen, onder meer van een oude poelenier. Jacobus Cypers speelde een grote rol. Hij zag het oude type als een kruising van Mechels hoen en Belgische vechter. Vanaf 1992 zetten Albert Tuerlinckx, Hubert Van Aarle en Fredy Van Aerschot het werk voort.
Voor de nieuwe stam kruisten ze eerst Marans met Brugse vechters, later ook Welbar (een Engelse, industriële Welsumer-lijn met koekoekfactor). In 1994–95 kwam er nog een koperzwarte Marans-haan bij, vooral voor die donkerbruine eieren. In 2003 werd het grote ras officieel erkend. De kriel volgde als kleinere vorm van dit Belgische erfgoed. Het grote Aarschots hoen blijft een zeldzaam en lastig te fokken dubbeldoelras. De kriel houd je vooral voor eieren, uiterlijk en het verhaal erachter.
Vorm
Detailbeschrijving als aanvulling op de kenmerken hierboven.
- Romp: Vrij lang en breed, goed gerond en vrij diep.
- Snavel: Stevig, middellang en goed gebogen, licht hoornkleurig. Iets aanslag mag.
- Hals: Tamelijk kort, iets naar voren. Halsbehang goed ontwikkeld, tot op rug en schouders.
- Rug en zadel: Middellang, breed, bijna horizontaal. Vanuit het zadel loopt een holle lijn op naar de staart. Zadelbehang vol.
- Vleugels: Goed ontwikkeld, bijna horizontaal. De tippen gaan deels schuil onder het zadelbehang.
- Staart: Middelgroot, bij de haan ongeveer 60 graden. Sikkels goed gebogen, niet voorbij de stuurveren.
- Ernstige fouten: Afwijkende oogkleur, geel pigment in snavel, poten of huid, witte oorlellen, bevederde poten.
Bronnen
Horst Schmidt (1996). Rashoenders.
Verhoef, E. Rijs, A. (2001). Geïllustreerde Hoender Encyclopedie. Rebo Productions.
Steunpunt Levend Erfgoed (SLE) (2013). Aarschots hoen.
Aarschots hoen. https://www.sle.be/wat-levend-erfgoed/rassen/aarschots-hoen (Geraadpleegd 2026).
Vereenvoudigd Beheer van Neerhofdieren (VBN) (2026). Rasfiche Aarschots hoen, instandhouding lokaal ras.
Kleindierliefhebbers Nederland (2026). Standaard voor Hoenders en Dwerghoenders - Aarschotse krielen.
Rüdiger Wandelts, Josef Wolters (1996). Handboek rashoenders.
R. Houwink (1909). Hoenderrassen.