Krielen KRIELEN

Foto door Xocolatl, Wikimedia Commons (publiek domein)

Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.5

Altsteirer krielen

Stiermarkse kriel

Oostenrijk
filter_vintage Kleine nekkuif
egg Ivoorkleurige eieren
public Oostenrijks landras
heart_smile Vertrouwend & levendig

De Altsteirer, of Stiermarkse kriel, is een winterhard en levendig Oostenrijks landras. Je herkent hem meteen aan het kleine nekkuifje, de witte oorlellen en de ivoorkleurige eieren. Een vriendelijke, actieve kip die goed past bij wie graag een stevig erfgoedras houdt.

Kenmerken

Dit is een stevig landhoentype, middelhoog gesteld, met een goed afgeronde borst en buik. De romp is ongeveer in de verhouding lengte-breedte-diepte 8:5:3. De rug loopt licht af en gaat soepel over in de staart. Iets lichter en kleiner dan de verwante Sulmtaler.

  • Gewicht: Haan ongeveer 1000–1100 g, hen 800–900 g.
  • Ringenmaat: Haan 13 mm, hen 12 mm.
  • Nekkuif: Klein kuifje op het achterhoofd. Bij de hen ongeveer twee keer zo groot als bij de haan.
  • Kam: Bij de haan een middelgrote, rechtopstaande enkelvoudige kam. Bij de hen een wikkelkam: het kamfront is dubbelgevouwen, door de kuifgenetica.
  • Kop: Felrode ogen, zuiver witte oorlellen, korte kinlellen.
  • Benen: Wit tot vleeskleurig, glad. Tussen de tenen wat rood.

Het zijn levendige, vertrouwende kippen die graag rondscharrelen. Prettig in een groep en geen lastige karakters.

Eileg

Voor een erfgoedkriel leggen ze netjes door. Goede legkracht hoort bij de bijzondere eigenschappen van het ras.

  • Productie: Rond de 150 eieren per jaar.
  • Kleur en gewicht: Ivoorkleurig, ongeveer 40 g.
  • Broedsheid: Hennen worden regelmatig broeds en zijn vaak zorgzame moeders.

Hen vs haan

Het verschil zie je meteen. De haan is groter en wat rechterop, met een gewone enkelvoudige kam. Bij wildbruin heeft hij roodbruine kop, hals en zadel, en een zwarte borst en staart.

De hen staat horizontaler en heeft een volle legbuik. Haar nekkuif is duidelijk voller, en haar kam heeft dat typische dubbelgevouwen front. Bij wildbruin is ze fijn geprikt bruin, met een zalmkleurige borst. Dat geeft haar een mooie, natuurlijke camouflage.

Klimaat en huisvesting

Uit het bergachtige Stiermarken komen winterharde kippen. Kou en wisselvallig weer nemen ze voor lief. Ze zijn zelfredzaam, maar het gelukkigst met ruimte om te scharrelen. Een droge, tochtvrije stal is genoeg. In een klein hok kunnen ze, maar uitloop of een ruime ren past beter bij hun aard.

Kleurslagen

In Nederland is vooral wildbruin gestandaardiseerd. Wit komt ook voor. Vroeger bestonden er meer kleuren.

  • Wildbruin: Bij de haan roodbruine kop, kuif, hals en zadel, donkerroodbruine rug en schouders, zwarte borst en staart, en een roodbruine vleugeldriehoek. Bij de hen bruin met grove zwarte pepering en een lichte nerf in de veer, zalmkleurige borst. Zoomtekening (flitter) is ongewenst.
  • Wit: Zuiver wit, zonder gele aanslag.

Dürigen noemde vroeger ook blauwpatrijs, zilverpatrijs, koekoek, gepeld en zwart. De zwarte met donkere beenkleur werden soms Istriërs of Kroaten genoemd. Vanaf 1929 werden patrijvarianten samengevoegd tot één type, om flittertekening tegen te gaan. In 1963 werd die kleur wildbruin genoemd, omdat de hen duidelijk anders is dan een klassieke wildkleurige hen.

Geschiedenis

Altsteirer betekent ‘Oud-Stiermarks’. Het ras komt uit Steiermark in Oostenrijk. Stiermarkse kapoenen stonden bekend als backhendl (braadhoen) en werden tot in Berlijn toe op de markt gebracht. Ze onderscheidden zich van andere Europese landhoenders door vleeskleurige poten.

Door zware Padua’s (baardkuifhoenders) in te kruisen, wilde men gewicht en vleessmaak verbeteren. Daardoor ontstond ook de nekkuif. Later zakte het gewicht weer door andere buitenlandse rassen. Tussen 1885 en 1919 ging men onderscheid maken tussen zware mesthoenders en de lichtere Altsteirer. Ook het verdwenen Cillerer hoen had invloed op het type. Het grote ras was in die tijd een echt dubbeldoelras. De kriel is daarvoor te klein. Die houd je vooral voor eieren, karakter en het typische uiterlijk.

Na een periode van achteruitgang bleef het ras bij liefhebbers behouden. De kriel is later in Duitsland ontwikkeld als verkleining van dit landras, met behoud van nekkuif, wikkelkam en ivoorkleurige eieren.

Vorm

Detailbeschrijving als aanvulling op de kenmerken hierboven.

  • Romp: Vol, breed, vrij diep en gestrekt.
  • Snavel: Vrij kort en krachtig, wit tot vleeskleurig. Bij de hen mag wat donkere aanslag.
  • Hals: Middellang, licht gebogen. Halsbehang rijk, tot op schouders en rug.
  • Rug en zadel: Lang, recht, iets aflopend, breed over de hele lengte. Zadelbehang rijk. Overgang naar de staart zonder harde knik.
  • Vleugels: Middelgroot, aanliggend, vrijwel horizontaal.
  • Staart: Vol, tamelijk achterwaarts. Brede, gespreide stuurveren. Sikkels goed gebogen.
  • Ernstige fouten: Te smalle of ondiepe bouw, te korte rug, te hoge beenstelling, ontbrekende nekkuif, te hoog of te laag gedragen staart, miskleurige poten.

Bronnen

Verhoef, E. Rijs, A. (2001). Geïllustreerde Hoender Encyclopedie. Rebo Productions.

Horst Schmidt (1996). Rashoenders.

Kleindierliefhebbers Nederland (2026). Standaard voor Hoenders en Dwerghoenders - Altsteirer krielen.

Bruno Dürigen (). Die Geflügelzucht.

Vergelijkbare rassen