Brabants boerenhoenkrielen
Brabançonne
De Brabantse boerenhoenkriel (Brabançonne) is de verkleinde versie van het Brabantse boerenhoen. Licht gebouwd, met een typisch klein kuifje achter de kam en zonder baard. Niet te verwarren met de Brabanter. Actief, winterhard en een nette legger van witte eieren.
Kenmerken
Licht gebouwd dwerghoen met diep, vol achterdeel en een typisch klein kuifje achter de kam. Geen baard, geen schedelknobbel. Anders dan de Brabanter dus. Witte oorlellen, leiblauwe poten.
- Gewicht: Haan 700-800 g, hen 600-700 g.
- Ringenmaat: Haan 12 mm, hen 11 mm.
- Kam: Enkelvoudig, nauwelijks middelgroot, oplopend naar achteren. Kamhiel vrij van het achterhoofd.
- Kuif: Klein, afvallend, lange buigzame veren geheel achter de kam. Mag het zicht niet belemmeren.
- Oorlellen: Zuiver wit. Rood is fout.
- Benen: Nauwelijks middellang, fijn, glad, leiblauw.
Actief en levendig. Ze scharrelen graag, maar kunnen wat schuw blijven.
Eileg
Het grote Brabantse boerenhoen was een populaire legkip (rond 200 eieren). De kriel houdt die leggerichtheid, zonder een dubbeldoelras te zijn.
- Productie: Tot ongeveer 150 eieren per jaar.
- Kleur en gewicht: Zuiver wit, rond de 35 g: groot voor het formaat.
- Broedsheid: Zelden broeds. Energie gaat vooral naar eileg.
Hen vs haan
De haan heeft een rechtopstaande kam die over de kuif heen loopt. Zijn kuifveren zijn langer en smaller. De hen heeft een kleinere kam die in een dubbele vouw op de snavelbasis ligt (niet naar één zijde omvallend). Haar kuif is klein, bijna even lang als breed, en wat hoger geplaatst. Het achterdeel van de hen is zeer diep en vol: de kegelvoet van het lichaam.
Klimaat
Winterhard en vitaal, passend bij een oude boerderijkip. De kleine kuif geeft minder last van vocht dan bij zware kuifrassen. Bij strenge vorst blijft de haankam kwetsbaar. Een droge, tochtvrije stal is verstandig.
Kleurslagen
Kwartel is de iconische slag: bij de haan goudgeel (nanking) op de borst, zwart halsbehang met goud, complexe tekening op rug en vleugels. Ook zilverkwartel, blauwkwartel, zwart, wit, buff en koekoek komen voor.
Geschiedenis
Het Brabantse boerenhoen (Brabançonne) uit Vlaams-Brabant is oud: vergelijkbare dieren staan al op 17e-eeuwse schilderijen. Officiële standaardisatie volgde begin 20e eeuw, toen vooral als legkip.
De kriel ontstond omstreeks 1984 uit klein gebleven Brabantse boerenhoenders en zilverkwartel Watermaalse baardkrielen. De baard van de Watermaal werd weggefokt, zodat het baardloze type van het grote ras behouden bleef.
Vorm
Detailbeschrijving als aanvulling op de kenmerken hierboven.
- Romp: Matig breed, vrij diep, middellang. Van hals tot achterdeel kegelvormig breder wordend.
- Hals: Middellang, iets naar voren, alleen bovenaan flauw gebogen.
- Rug en zadel: Lang, vrij breed, aflopend naar achteren.
- Borst: Middelmatig breed, diep, enigszins hoog gedragen door de schuine houding.
- Vleugels: Groot, aangetrokken. Tippen onder het zadelbehang.
- Staart: Enigszins samengevouwen, stompe hoek met de rug. Sikkels niet te lang of te breed.
- Ernstige fouten: Te grote of slechte kuif, ontbrekende kuif, te lichte ogen, andere dan leiblauwe poten, rode oorlellen, zwakke of ondiepe bouw, omvallende kam bij de haan, niet dubbelgeplooide of staande kam bij de hen.
Bronnen
Kleindierliefhebbers Nederland (2026). Standaard voor Hoenders en Dwerghoenders - Brabants boerenhoenkriel.
Brabançonne - Steunpunt Levend Erfgoed. https://sle.be/wat-levend-erfgoed/rassen/brabants-hoen (Geraadpleegd 2025).
Verhoef, E. Rijs, A. (2001). Geïllustreerde Hoender Encyclopedie. Rebo Productions.
Horst Schmidt (1996). Rashoenders.