Krielen KRIELEN

Oost-Friese meeuwkrielen

Ostfriesische Möwen

Duitsland
palette Peltekening
visibility Bruinrode ogen
egg Witte eieren
thermostat Winterhard

De Oost-Friese meeuwkriel is een fors landhoentype-dwerghoen met diep achterlijf, peltekening en bruinrode ogen. Nauw verwant aan de Groninger meeuwkriel, maar zwaarder. Actief, winterhard en een nette legger van witte eieren.

Kenmerken

Volgens de KLN gelijk aan de Groninger meeuwkriel, behalve oogkleur en gewicht. Vrij fors lichaam, diep achterlijf, tamelijk gestrekte rug. Staart niet zo hoog als bij Friese krielen: dat typeverschil moet zichtbaar blijven.

  • Gewicht: Haan 900-1000 g, hen 800-900 g.
  • Ringenmaat: Haan 13 mm, hen 11 mm.
  • Kam: Enkelvoudig, middelgroot, niet te hoog, vijf of zes kamtanden, helderrood. Kamhiel volgt de nek niet maar loopt vrijwel horizontaal naar achteren.
  • Ogen: Bruinrood (Groninger: donkerbruin).
  • Oorlellen: Ovaal, wit. Veel rood is fout.
  • Benen: Glad, leiblauw, vier tenen, breed onder het lichaam.

Levendig en waakzaam. Ze scharrelen graag en willen ruimte.

Eileg

Nette legsters van witte eieren, in de lijn van het grote meeuwhoen. Geen dubbeldoelras: type en peltekening staan voorop, met eileg als prettige bijkomstigheid.

  • Productie: Ongeveer 150-180 eieren per jaar.
  • Kleur en gewicht: Wit, rond de 40 g.
  • Broedsheid: Meestal niet bijzonder broeds.

Hen vs haan

Behalve secundaire geslachtskenmerken weinig verschil. De hen heeft een staande kam; een omvallende kamhiel heeft de voorkeur. De haan heeft rijker hals- en zadelbehang en bredere, fraai gebogen sikkels.

Klimaat

Winterhard, passend bij een kustklimaat. Weinig eisen: droge, veilige stal. Ze scharrelen graag bij ruime uitloop.

Kleurslagen

In de KLN-standaard staan goudpel en zilverpel. Bij de hen vormen blokvormige pelvlekjes naast de schacht de kenmerkende tekening. Bij de haan is een zwart randje aan de onderste rij veren van de vleugelband een raskenmerk.

Geschiedenis

Kriel van het Oost-Friese meeuwhoen uit Noord-Duitsland, nauw verwant aan de Groninger meeuw. In de standaard wordt nadrukkelijk verwezen naar de Groninger meeuwkriel: zelfde type, andere oogkleur en hoger gewicht. Een sier- en legkriel, geen dubbeldoelras.

Vorm

Detailbeschrijving volgens de Groninger-standaard (van toepassing, behalve oogkleur), als aanvulling op de kenmerken hierboven.

  • Romp: Breed, vrij diep, iets smaller naar achteren.
  • Kop: Middelgroot, iets langwerpig, gezicht rood.
  • Snavel: Kort en krachtig, licht gebogen. Blauw of licht hoornkleurig blauw.
  • Hals: Middellang, licht gebogen doch opgericht. Halsbevedering flink ontwikkeld.
  • Rug en zadel: Breed en middellang, flauw aflopend, kortronde overgang naar de staart. Zadelbehang bij de haan breed en rijk.
  • Borst: Breed en vol, iets naar voren gedragen.
  • Vleugels: Krachtig en vrij lang, goed gesloten, rustend op de flankveren.
  • Staart: Goed ontwikkeld, tamelijk gespreid, niet sterk achterwaarts. Breed gebogen sikkels.
  • Achterlijf: Diep en vol.
  • Ernstige fouten: Smalle bouw, sterk achterwaarts gedragen staart, veel rood in de oorlellen, te donkere of te lichte oogkleur.

Bronnen

Kleindierliefhebbers Nederland (2026). Standaard voor Hoenders en Dwerghoenders - Oost-Friese meeuwkrielen.

Verhoef, E. Rijs, A. (2001). Geïllustreerde Hoender Encyclopedie. Rebo Productions.

Vergelijkbare rassen