Krielen KRIELEN

Foto door Kerleone, CC BY-SA 3.0

Appenzeller baardhoenkrielen

Appenzeller Barthühner

Zwitserland
auto_awesome Volle baard
egg Ivoorkleurige eieren
filter_vintage Rozekam
thermostat Berghard

De Appenzeller baardhoenkriel is een stevig, levendig dwerghoen uit de Zwitserse bergen. Je herkent hem aan de volle baard, rozekam en winterharde aard. Goede legsters van ivoorkleurige eieren, en graag aan het scharrelen.

Kenmerken

Dit is een krachtig dwerghoen van het landhoentype, zwaarder gebouwd dan de Appenzeller spitskuif. Brede schouders, romp iets aflopend naar achteren, staart goed gespreid. Ondanks de nodige uitkruisingen bij de wederopbouw is het landhoentype bewaard.

  • Gewicht: Haan ongeveer 0,9–1,0 kg, hen 0,8–0,9 kg.
  • Ringenmaat: Haan 13 mm, hen 11 mm.
  • Kam: Middelgrote rozekam, laag en stevig, met fijn gelijkmatig werk en een rechte doorn naar achteren.
  • Baard: Vol en middelgroot, zo weinig mogelijk ingesnoerd. Bedekt de kleine kinlellen en oorlellen.
  • Benen: Onbevederd. Bij zwart vaak zwart tot blauwzwart. Bij andere kleuren meestal leiblauw.

Gehard, vitaal en vroegrijp. Actieve scharrelaars die het best tot hun recht komen met ruimte of vrije uitloop. Over het algemeen levendig en redelijk vertrouwend.

Eileg

De legkracht is goed. De eieren lenen zich goed voor een broedmachine én voor natuurlijk broeden.

  • Productie: Rond de 150 eieren per jaar.
  • Kleur en gewicht: Ivoor of licht getint, ongeveer 40 g.
  • Broedsheid: Niet sterk broeds, maar als een hen wel gaat zitten is ze vaak een oplettende moeder.

Hen vs haan

De haan is groter, met een forsere rozekam en rijkere sikkels. De hen staat iets lager, met een meer horizontale ruglijn en een voller achterlijf. Baard en rozekam zitten bij beide, alleen wat forser bij de haan.

Klimaat

Uit het strenge bergklimaat van Appenzell komen uitzonderlijk winterharde kippen. Kou nemen ze voor lief. Een droog, tochtvrij hok is altijd slim, maar uitgebreide luxe hebben ze niet nodig. Ze scharrelen graag en willen ruimte om zich uit te leven.

Kleurslagen

Drie kleuren komen het meest voor:

  • Zwart: Groenglanzend zwart bovengevederte, dofzwart dons.
  • Blauw gezoomd: Ontstaan met hulp van Andalusiërs. Middelmatig leiblauw met donkere zoom.
  • Patrijs: Klassiek wildtype. Haan met zwartborst en roodbruine sierveren, hen fijn gestippeld bruin met zalmkleurige borst.

Geschiedenis

Sinds ongeveer 1860 leefden in het kanton Appenzell baardhoenders die tegen het bergklimaat konden. Uit baardkuifhoenders en patrijskleurige Leghorns ontstonden de eerste goudhalzige Appenzeller baardhoenders. Later volgden zwart en, via Andalusiër, gezoomd blauw.

De belangstelling zakte. In 1950 restten nog vier door degeneratie bedreigde stammen. Met een oude Appenzeller haan gekruist met Rijnlanders, Thüringer baardhoenders en Faverolles werd het ras nieuw leven ingeblazen. In 1963 pakte de hoogbejaarde Walter Züst de fok van zijn grootvader weer op en creëerde met restbestanden de patrijskleurigen. Als sporthoen is het nooit heel populair geworden, maar het bleef bestaan.

Het grote ras was een stevig landhoen met goede leg. De kriel is volgens de Nederlandse standaard eind 20e eeuw in Zwitserland gecreëerd. Die dwerghoenders houd je voor eieren, karakter en het typische baard-uiterlijk, niet als dubbeldoelras.

Vorm

Detailbeschrijving als aanvulling op de kenmerken hierboven.

  • Romp: Stevig landhoentype, brede schouders, naar achteren iets aflopend.
  • Snavel: Stevig, donker hoornkleurig.
  • Rug en zadel: Middellang en vlak, iets afhellend. Zadel breed, korte ronde overgang naar de staart.
  • Borst: Breed en goed gerond, vrij hoog gedragen.
  • Vleugels: Goed opgetrokken en aangesloten, niet te lang of voorbij het lichaam.
  • Staart: Rijk, breed aangezet, goed gespreid, iets meer dan middelhoog. Brede stuurveren en sikkels.
  • Bevedering: Breed, vrij kort, niet donsrijk, goed aansluitend. Dijen duidelijk zichtbaar.
  • Ernstige fouten: Smalle bouw, te hoog gesteld, vlakke of hangborst, te lage vleugels, smalle of te weinig gespreide staart, te weinig baard, ontbrekend kamwerk. Ook een opstaande of op de nek rustende kamdoorn is fout.

Bronnen

Horst Schmidt (1996). Rashoenders.

Verhoef, E. Rijs, A. (2001). Geïllustreerde Hoender Encyclopedie. Rebo Productions.

Kleindierliefhebbers Nederland (2026). Standaard voor Hoenders en Dwerghoenders - Appenzeller baardhoenkrielen.

Vergelijkbare rassen