Belgische krielen
Naine belge
De Belgische kriel is een oorspronkelijke echte kriel zonder overdreven opsmuk: kort, gedrongen, met ronde vormen, rode oorlellen en leiblauwe poten. Levendig, winterhard en een uitstekende vlieger die ongeveer 120 kleine witte eieren per jaar legt.
Kenmerken
Klein oorspronkelijk krielhoen, in type verwant aan de Hollandse kriel. Tamelijk kort en gedrongen, nauwelijks middelhoog gesteld, met kleine kopversierselen. Volle, glad aanliggende bevedering met goed ontwikkelde sierveren.
- Gewicht: Haan 550-650 g, hen 500-550 g.
- Ringenmaat: Haan 11 mm, hen 10 mm.
- Kam: Enkelvoudig, vrij klein, vijf kampunten, helderrood.
- Oorlellen: Helderrood, zonder wit. Te groot of wit is fout.
- Benen: Vrij kort, onbevederd, leiblauw.
Zeer actief en bekend als uitstekende vliegers. Ze scharrelen graag en trekken vaak in kleine groepjes rond.
Eileg
Voor een echte kriel leggen ze redelijk, met weinig eisen.
- Productie: Ongeveer 120 eieren per jaar.
- Kleur en gewicht: Wit, rond de 30-35 g.
- Broedsheid: Goede broedsters. Kuikens zijn sterk en groeien snel. In vrije uitloop verstoppen hennen hun eieren vaak.
Hen vs haan
Beide delen het compacte, ronde type. De haan heeft flink gebogen, iets spitse sikkels en rijker hals- en zadelbehang. De hen is iets lager in gewicht. Bij haar mag de borst niet te weinig naar voren, en een te lange rug met te korte staart is fout.
Klimaat
Zeer winterhard en levendig. Omdat ze zo goed vliegen, is een overdekte ren of volière sterk aan te raden. In grote tuinen met hoge hekken kunnen ze vrij rondlopen, maar ze blijven vaak dicht bij de groep.
Kleurslagen
Patrijs is de bekendste slag. In Nederland zijn vooral patrijs en zilverpatrijs erkend. In België komen meer slagen voor, zoals blauwpatrijs, witpatrijs en roodgeschouderde varianten. Verder onder meer zwart, wit, blauw, tarwe en zilvertarwe.
Geschiedenis
Vanaf circa 1909 ontstond het ras in België door teeltkeuze uit een populair krielhoen dat in een groot deel van West-Europa voorkwam. Rond Luik selecteerden fokkers uit lokale populaties. Daaruit kwamen uiteindelijk twee lijnen: de Belgische kriel en de Bassette. Het type is de Belgische fokrichting van de traditionele patrijskleurige Engelse kriel (Engels kiekske).
De eerste officiële standaard dateert van 1934. In het Waasland ontstond ook een rozekamvariant: de Waasse kriel (steens kieksken). Vandaag is de Belgische kriel redelijk verspreid in Vlaanderen, zeldzamer in Wallonië en Nederland. Het blijft een sierkriel, geen dubbeldoelras.
Vorm
Detailbeschrijving als aanvulling op de kenmerken hierboven.
- Romp: Gedrongen, breed, naar achteren smaller. Van voren opgericht, zonder dat het lichaam achterover lijkt te hellen.
- Hals: Vrij kort, fraai naar achteren gebogen. Rijk halsbehang tot op rug en schouders.
- Rug en zadel: Zeer kort, iets aflopend, dan in een kortronde holle lijn naar de staart. Zadelbehang vrij lang.
- Borst: Middelhoog, goed naar voren, vol, breed en gerond.
- Vleugels: Middellang, schuin achterwaarts omlaag, tippen naderen elkaar onder het lichaam.
- Staart: Opgericht tot enigszins hoog, gespreid, vol bevederd met goed gebogen sikkels.
- Ernstige fouten: Lange of smalle bouw, te veel aflopende houding, te grote kam, te hoge beenstelling, te krappe bevedering, te grote of witte oorlellen, afwijkende beenkleur.
Bronnen
Kleindierliefhebbers Nederland (2026). Standaard voor Hoenders en Dwerghoenders - Belgische krielen.
Horst Schmidt (1996). Rashoenders.
Verhoef, E. Rijs, A. (2001). Geïllustreerde Hoender Encyclopedie. Rebo Productions.