Nederlandse sabelpootkrielen
Booted Bantam
De Nederlandse sabelpootkriel is een oud echt dwerghoen met overvloedige voetbevedering en kenmerkende gierhakken die een soort voetstuk vormen. Winterhard, handzaam en een klassiek sierkriel voor show en tuin.
Kenmerken
Enigszins gedrongen, maar opgericht. Door voetbevedering en gierhakken toont het dier vrij laag: die veren vormen als het ware een voetstuk. Er bestaat ook een baardvariant met driedelige baard in plaats van kinlellen.
- Gewicht: Haan 750-850 g, hen 550-650 g.
- Ringenmaat: Haan 16 mm, hen 14 mm.
- Kam: Enkelvoudig, middelgroot, vijf kampunten, helderrood.
- Oorlellen: Rood met enig wit toegestaan.
- Benen: Vrij kort, zwaar bevederd aan de buitenzijde. Sterke gierhakken: lange, stijve veren, tip naar binnen. Midden- en buitenteen zwaar bevederd. Beenkleur afhankelijk van de kleurslag (bij patrijs leiblauw).
Kalm en handzaam. Ze scharrelen graag, mits de poten droog blijven.
Eileg
Vooral een sierras, maar ze leggen nog redelijk voor een echte kriel.
- Productie: Ongeveer 80-120 eieren per jaar.
- Kleur en gewicht: Crème, rond de 35-40 g.
- Broedsheid: Worden vaak broeds en zijn goede moeders.
Hen vs haan
Beide delen hetzelfde type met gierhakken en voetbevedering. De haan heeft sabelvormige sikkels die iets voorbij de stuurveren reiken. De hen draagt de staart iets lager. Sporen bij hennen gelden als positief kenmerk.
Klimaat
Winterhard. De rijke beenbevedering isoleert, maar bij natte of modderige grond plakt vuil snel aan de voetveren. Droge strooisel en een droge ren zijn dus belangrijk. Ze doen het in een ren, maar scharrelen graag als er ruimte is.
Kleurslagen
Het kleurenpalet is groot. Patrijs staat in de standaard met leiblauwe snavel en poten. Verder onder meer wit, zwart, blauw, koekoek, zilverpatrijs, columbia-varianten, witgepareld, gezoomd, millefleur/citroenpel, goudpel en zilverpel. Type en voetbevedering gaan vóór kleur.
Geschiedenis
Een van de oudste krielenrassen: al in de 16e eeuw op afbeeldingen, onder meer van Adriaen van Utrecht. Vermoedelijk verwant aan Japanse chabo's, zichtbaar in staartvorm. De naam 'sabelpoot' verwijst naar de lange, stijve beenveren en gierhakken.
In 1906 erkende de Nederlandse Hoenderclub het ras als Nederlands onder de naam Nederlandse sabelpoot. De Nederlandse Sabelpootclub (1910) bewaakt type en standaard. Het blijft een sierkriel, geen dubbeldoelras.
Vorm
Detailbeschrijving als aanvulling op de kenmerken hierboven.
- Romp: Breed, gedrongen, naar achteren smaller. Achterdeel vrij diep.
- Hals: Vrij kort, fraai diep gebogen, naar achteren. Vol bevederd.
- Rug en zadel: Kort, breed, kortronde holle lijn naar de staart. Zadelbehang matig lang.
- Borst: Hoog en sterk naar voren, breed en goed gerond.
- Vleugels: Groot, lang, laag gedragen. Onderzijde rust min of meer tegen de gierhakken.
- Staart: Middelgroot, gespreid, opgericht doch niet te hoog. Sikkels sabelvormig.
- Ernstige fouten: Te groot of te plomp, te zware kam, lange of smalle of sterk aflopende romp, opgetrokken vleugels, steile spitse staart, te weinig sierveer of gierhakken, te hoge beenstelling, ernstige teenmisvorming, meer dan één nagel missen.
Bronnen
Kleindierliefhebbers Nederland (2026). Standaard voor Hoenders en Dwerghoenders - Nederlandse sabelpootkrielen.
Horst Schmidt (1996). Rashoenders.
Verhoef, E. Rijs, A. (2001). Geïllustreerde Hoender Encyclopedie. Rebo Productions.
Stichting Zeldzame Huisdierrassen (SZH). SZH - Rassen hoenders. https://szh.nl/rassen/hoenders/.