Doornikse krielen
Doornikse kriel
De Doornikse kriel is een vrij klein, onregelmatig bont getekend dwerghoen van het landhoentype. Unieke driekleurige tekening. Kort voor de Eerste Wereldoorlog in België ontstaan, historisch bekend als schipperskip langs de Schelde.
Kenmerken
Landhoentype, krachtig en breed over de schouders, naar achteren smaller. Levendige, geharde scharrelaars die graag rondscharrelen. Echte kriel: geen grote vorm.
- Gewicht: Haan 750-850 g, hen 650-750 g.
- Ringenmaat: Haan 13 mm, hen 11 mm.
- Kam: Enkel, rechtop, middelgroot, regelmatig getand, levendig rood.
- Oorlellen: Klein, rood.
- Benen: Middellang, sterk, glad, wit. Enkele grijze stippen toegestaan. Onbevederd.
Eileg
Vrij goede legsters voor een kriel. Geen dubbeldoelras: type en driekleurige tekening staan voorop.
- Productie: Ongeveer 120-160 eieren per jaar.
- Kleur en gewicht: Bijna wit tot wit, rond de 35-40 g.
- Broedsheid: Goede broeders en moeders.
Hen vs haan
Behalve secundaire geslachtskenmerken weinig verschil. Bij de hen is de overgang van rug naar staart goed gerond en het achterlijf goed ontwikkeld. De haan toont meer hals- en zadelbehang en grotere, half-ronde sikkels.
Klimaat
Zeer winterhard en weinig veeleisend. Ze houden van vrijheid om te scharrelen, maar doen het ook in beperkte ruimte. Droge nachtstal is voldoende.
Kleurslagen
Alleen driekleurig bont. Grondkleur bij de haan licht mahoniekleurig, bij de hen kaneelkleurig. Zwarte en witte tekening onregelmatig over het hele lichaam. Afzonderlijke veren kunnen een-, twee- of driekleurig zijn. Overdreven veel wit of het ontbreken van de typische vlekjes is fout.
Geschiedenis
België, streek van Doornik en Bléharies langs de Schelde. Ook schipperskip genoemd: ze leefden mee op binnenvaartschepen. Eerste selectie eind 19e eeuw; kort voor de Eerste Wereldoorlog verder vormgegeven, onder meer door Léon Duquesne. De oorlogsjaren brachten het ras bijna ten einde. Later opnieuw opgepakt als zeldzaam Belgisch erfgoedras.
Vorm
Detailbeschrijving als aanvulling op de kenmerken hierboven.
- Kop: Fijn, normale verhoudingen.
- Snavel: Krachtig, licht hoornkleurig tot wit.
- Ogen: Groot, levendig, roodoranje.
- Hals: Middellang, opgericht, licht gebogen. Halsbehang goed ontwikkeld.
- Rug en zadel: Middellang en breed, iets aflopend. Zadelbehang goed ontwikkeld.
- Borst: Breed, goed gerond, krachtig bespierd.
- Vleugels: Goed aangesloten, iets naar beneden zonder af te hangen.
- Staart: Hoog en tamelijk gespreid. Grote sikkels half-rond gebogen.
- Ernstige fouten: Te hoog of te laag gesteld, veel wit in de oorlellen, andere beenkleur dan wit.
Bronnen
Kleindierliefhebbers Nederland (2026). Standaard voor Hoenders en Dwerghoenders - Doornikse krielen.