Welsumer krielen
Welsumer
De Welsumerkriel is een tamelijk fors dwerghoen, in voorkomen tussen middelzware en lichte krielrassen. Speciaal de hennen tonen vol door een diep, vol achterlijf. Bekend om relatief grote, donkerbruine eieren. De krielvorm verscheen eerst op Engelse tentoonstellingen.
Kenmerken
Diep, middellang lichaam met flink ontwikkelde buik. Vrijwel horizontale houding. Actieve, vriendelijke scharrelaars die graag rondscharrelen.
- Gewicht: Haan 1100-1200 g, hen 900-1000 g.
- Ringenmaat: Haan 15 mm, hen 13 mm.
- Kam: Enkel, vrij klein, rechtop, vijf of zes tanden, levendig rood.
- Oorlellen: Vrij klein, langwerpig, levendig rood.
- Benen: Middellang, krachtig, glad geschubd, warm geel. Onbevederd.
Eileg
Goede legsters, vooral gewaardeerd om de donkerbruine eischaal. Geen dubbeldoelras: type en eikleur staan voorop.
- Productie: Ongeveer 140-180 eieren per jaar.
- Kleur en gewicht: Donkerbruin, relatief groot voor een kriel, rond de 40-45 g.
- Broedsheid: Meestal weinig.
Hen vs haan
Bij de hen zijn rug en zadel vrij lang, breed en horizontaal, zonder zadelkussen, in een holle lijn oplopend naar de staart. De vrij korte staart wordt middelhoog en nauwelijks gespreid gedragen. De haan toont meer zadelbehang en gebogen sikkels.
Klimaat
Winterhard en vitaal. Ze scharrelen graag. Droge nachtstal en voldoende ruimte houden type en gevederte in orde.
Kleurslagen
In de KLN-standaard: roodpatrijs. Kop en halsbehang goudbruin, rug diep rood, staart zwart met groenglans, borsttekening volgens de patrijsstandaard. Elders komt ook geelpatrijs voor.
Geschiedenis
De krielvorm verscheen eerst op Engelse tentoonstellingen. Rond 1930 begonnen fokproeven met grote Welsumerhennen en patrijskleurige Duitse krielhanen. Later hielpen onder meer Rhode Island- en Leghornkrielen type en kleur vast te leggen. Officiële erkenning volgde in 1947. Het grote ras blijft verbonden met Welsum in Nederland.
Vorm
Detailbeschrijving als aanvulling op de kenmerken hierboven.
- Kop: Klein in verhouding tot het lichaam. Gezicht levendig rood.
- Snavel: Middellang, stevig, enigszins gebogen. Geel met iets hoornkleurige aanslag op de bovensnavel.
- Ogen: Groot, oranjeachtig roodbruin.
- Hals: Middellang, enigszins naar voren. Halsbehang tot op de schouders.
- Rug en zadel: Middellang, breed, vrijwel horizontaal. Zadel breed met vol zadelbehang.
- Borst: Breed, vrij diep, goed gerond.
- Vleugels: Goed aangesloten, horizontaal. Vleugelpunten onder het zadelbehang.
- Staart: Goed ontwikkeld, vrij hoog. Sikkels goed gebogen, nauwelijks voorbij de stuurveren.
- Ernstige fouten: Sterk aflopende houding, grove kop, te smalle of ondiepe bouw, wit in de oorlellen, sterk afwijkende oogkleur.
Bronnen
Kleindierliefhebbers Nederland (2026). Standaard voor Hoenders en Dwerghoenders - Welsumer krielen.