Dresdener krielen
Zwerg-Dresdner
De Dresdener-kriel is een middelzwaar Duits dwerghoen met enigszins gestrekt type, afgeronde vormen en rozekam. Levendig, winterhard en een nette legger van witte eieren. Sinds 1958 erkend rond Dresden.
Kenmerken
Middelzwaar dwerghoen met enigszins gestrekt type en afgeronde vormen. Nauwelijks middelhoog gesteld. Levendig van aard.
- Gewicht: Haan 1100-1200 g, hen 900-1000 g.
- Ringenmaat: Haan 15 mm, hen 13 mm.
- Kam: Rozekam, vrij breed van voren. Kamdoorn volgt de neklijn. Opgerichte doorn is fout.
- Benen: Middellang, stevig, geel, onbevederd. Vier tenen.
- Ogen: Oranjerood tot rood. Oorlellen rood, zonder wit.
Levendig maar vriendelijk. Ze scharrelen graag en willen ruimte.
Eileg
Goede eileg, ook in de winter. Het grote Dresdenerhoen stond al bekend om legkracht. De kriel houdt die nadruk, zonder een dubbeldoelras te zijn.
- Productie: Ongeveer 150-180 eieren per jaar.
- Kleur en gewicht: Wit, rond de 35 g.
- Broedsheid: Meestal niet erg broeds. Focus op constante eileg.
Hen vs haan
De haan heeft een volle, afgeronde borst en rijk halsbehang. Staart halfhoog zonder scherpe knik, met brede middellange sikkels. De hen draagt de staart iets lager. Lichte kussenvorming op de rug is bij haar toegestaan.
Klimaat
Winterhard, zoals het grote ras. Weinig eisen: droge, schone stal van voldoende grootte. Ze scharrelen graag als er uitloop is.
Kleurslagen
In de KLN-standaard staat bruin (roodbruin) uitgewerkt: bij de haan glanzend roodbruin op rug en schouders, midden roodbruine borst, zwarte staart met bruine zoming. Ook zwart, wit, blauwgezoomd en koekoek komen voor.
Geschiedenis
Gecreëerd in Duitsland rond Dresden met klein gebleven Dresdenerhoenders, kwartelkleurige Antwerpse baardkrielen en wit-zwartcolumbia Wyandotte-krielen. Sinds 1958 daar erkend. Sierkwaliteiten en eileg maakten het ras snel populair bij liefhebbers.
Vorm
Detailbeschrijving als aanvulling op de kenmerken hierboven.
- Romp: Vol, diep en afgerond.
- Hals: Middellang met rijk halsbehang.
- Rug en zadel: Rug middellang en breed, iets oplopend naar het vrij brede zadel.
- Borst: Breed, vol, goed gerond.
- Vleugels: Vrijwel horizontaal, goed aangesloten.
- Staart: Stuurveren breed, vrij open, halfhoog, zonder duidelijke hoek met het zadel.
- Ernstige fouten: Onvoldoende borstdiepte en oplopende ruglijn (driehoeksvorm), afhellende rug, holle rug bij de hen, grof beendergestel, te hoge beenstelling, zeer grove kam, opgerichte kamdoorn, wit in de oorlellen.
Bronnen
Kleindierliefhebbers Nederland (2026). Standaard voor Hoenders en Dwerghoenders - Dresdener krielen.
Verhoef, E. Rijs, A. (2001). Geïllustreerde Hoender Encyclopedie. Rebo Productions.