Duitse krielen
Deutsche Zwerghühner
De Duitse kriel is een levendig, elegant dwerghoen met gestrekt landhoentype, walsvormige romp en rijke, nauwelijks middelhoog gedragen staart. Echte kriel zonder grote tegenhanger, vanaf 1917 erkend in Duitsland.
Kenmerken
Levendig, niet zeer klein dwerghoen met elegant, gestrekt landhoentype. Rijke, glad aanliggende bevedering en een opvallend rijke staart die nauwelijks middelhoog wordt gedragen. Romp lang en walsvormig, vrijwel horizontaal.
- Gewicht: Haan 650-725 g, hen 550-625 g.
- Ringenmaat: Haan 13 mm, hen 11 mm.
- Kam: Enkelvoudig, nauwelijks middelgroot, rechtop, fijn getand. Kamhiel staat geheel vrij van de nek.
- Oorlellen: Vrij klein, vlak, amandelvormig, wit.
- Ogen: Donkerrood tot roodbruin.
- Benen: Middellang, dun, leiblauw, vier tenen.
Actief en goede vliegers. Ze scharrelen graag als er uitloop is.
Eileg
Nette legsters voor een echte kriel. Geen dubbeldoelras: type en kleurslag staan voorop.
- Productie: Ongeveer 140-170 eieren per jaar.
- Kleur en gewicht: Wit tot crème, rond de 30 g.
- Broedsheid: Hennen kunnen broeds zijn en brengen kuikens vaak goed groot.
Hen vs haan
Behalve secundaire geslachtskenmerken weinig typeverschil. De haan heeft lange, brede, wat puntig uitlopende sikkels en veel bijsikkels die aansluiten bij staartdekveren en zadelbehang. De hen heeft een volle halskraag. Bij wildkleur is het verschil in kleur groot: haan bruinrood in hals en zadel met zwarte borst, hen roodbruin met dichte zwarte pepering en zalmkleurige borst.
Klimaat
Winterhard en weinig veeleisend. Ontstaan uit een halfwilde parkomgeving, dus gewend aan ruwe omstandigheden. Ze scharrelen graag. Bij een kleine tuin helpt een overdekte ren, want ze vliegen goed.
Kleurslagen
In de Nederlandse KLN-standaard: wildkleur, patrijs, geelpatrijs, zilverpatrijs, wit en zwart. Wildkleur is de klassieke bankiva-achtige slag. Bij zwart wordt fluweelzwart verlangd. In Duitsland bestaan meer kleuren, maar die zijn hier niet allemaal erkend.
Geschiedenis
Gecreëerd door W. Müller in Magdeburg. Vanaf 1911 gefokt in wildkleur, met onder meer patrijs Phoenix, zwarte Java-kriel en blauwbenige Oud-Engelse vechtkrielen. Erkend op 1 juli 1917. Doel: een ongekunsteld, elegant dwerghoen naar bankiva-type. Echte kriel, geen verkleind groothoen.
Vorm
Detailbeschrijving als aanvulling op de kenmerken hierboven.
- Romp: Lang en walsvormig, vrijwel horizontaal.
- Kop: Klein en kort, goed gewelfd. Gezicht levendig rood.
- Snavel: Vrij kort, donker hoornkleurig.
- Hals: Middellang, licht gebogen, rijk halsbehang tot op rug en schouders.
- Rug en zadel: Rug middellang en recht, licht afhellend, zonder scherpe hoek naar de staart. Zadel breed met rijk zadelbehang dat de vleugeleinden bedekt.
- Borst: Vol en vrij breed, goed gerond, iets naar voren en wat opgericht.
- Vleugels: Vrij groot, niet voorbij het lichaam, goed aangesloten, niet sterk afhangend.
- Staart: Lang, breed gespreid, nauwelijks middelhoog. Lange brede sikkels en veel bijsikkels.
- Ernstige fouten: Korte plompe bouw, vlakke borst, holle rug, hoog of hangend gedragen staart, lange te laag gedragen vleugels, onvoldoende sierveerontwikkeling bij de haan, onvoldoende halskraag bij de hen, anders dan leiblauwe benen.
Bronnen
Kleindierliefhebbers Nederland (2026). Standaard voor Hoenders en Dwerghoenders - Duitse krielen.
Verhoef, E. Rijs, A. (2001). Geïllustreerde Hoender Encyclopedie. Rebo Productions.